Preek Ds. T. Bouw vierde zondag van Advent 2019

Protestantse Gemeente Zaltbommel

bij Micha 7 : 1 - 7 en Lucas 21 : 25 - 31

 

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Verwacht de komst des Heren

o mens bereid u voor!

Verwacht de komst des Heren..

In deze dagen,

de dagen van advent zingen we jaar in jaar uit

hetzelfde oude liedje

dat Hij komen gaat.

 

Ik vroeg me af:

verwachten wij die komst van de Heer nog wel echt?

En dan heb ik het niet over de geboorte van Jezus,

die hebben we immers al lang gehad.

Maar  geloven we nog echt in die andere komst

waar Advent ook van zingt?

Dat er op een of andere manier sprake zal zijn

van een nieuwe komst van de Messias in onze wereld?

Een komst waardoor alles anders zal worden?

Over die zogenaamde wederkomst

moeten we wel nadenken als we het evangelie

van vandaag serieus nemen.

Dat ging bij mij niet echt van harte.

Want eerlijk gezegd houd ik me niet echt bezig

met het verwachten van die wederkomst.

Ik zie eerlijk gezegd niet reikhalzend uit naar het einde van deze wereld.

Dat is natuurlijk ook een beetje

of misschien wel een heel groot beetje een luxe.

Bij mensen voor wie het leven op aarde een hel is van pijn en verdriet,

onderdrukking of vervolging, diepe depressie en hevige angsten  

ligt dat wellicht anders.

En dat de eerste christelijke gemeenten,

in de sfeer waarvan de evangeliën geschreven zijn,

leefden in de veronderstelling dat Jezus zeer spoedig terug zou komen,

weten we ook.

Maar voor velen van nu is het, denk ik,

toch een leerstuk dat in deze tijd niet zo leeft.

 

Niet van deze tijd,

want onze verwachtingen zijn meer en meer gericht op het leven nu.

Niet van deze tijd,

want wat moet je je in hemelsnaam toch voorstellen

bij een wederkomst van Jezus?

Als je al het einde van de wereld verwacht,

dan toch meer door onbeheersbare milieurampen,

kernoorlogen of ongeneeslijke ziektes,

desnoods een fatale botsing

met een meteoriet,

dan door ingrijpen van God.

 

Niet van deze tijd.

En toch vraagt deze tijd van het jaar,

deze tijd van advent erom dat wij ons met de thematiek van de wederkomst bezig houden.

En zo vreemd is dat niet. In de kerk, en niet alleen heel vroeger,

is dit geloof een terugkerend thema.

En ook in de joodse traditie is de verwachting van de ‘komst des Heren’

een rode draad.

Zo spreken vele profeten, zoals Micha, telkens

over de komst van de Heer.

Die dag zal zowel een dag van verlossing zijn voor onderdrukte machtelozen

als een dag van oordeel over de machtigen die hun positie misbruikten.

Dat oordeel is niet mals, Micha is één van de meest grimmigen in het rijtje.

 

 

 

En het zijn deze joodse gedachten die meeklinken in de redevoering van Jezus. Vandaag lezen we die in de woorden zoals Lucas ons heeft nagelaten.

Uiteraard was voor de gelovige jood de tempel

het teken van de aanwezigheid van God.

Bewijs van Zijn komst en zijn verblijf tussen de mensen.

De discipelen wijzen dan ook niet zonder reden op de schoonheid ervan.

Het is dan ook onvoorstelbaar erg dat Jezus vervolgens spreekt over de verwoesting van deze tempel.

Voor hun beleving zo’n beetje het einde van de wereld.

Dat roept allerlei vragen bij ze op:

‘wanneer zal dit gebeuren? Wat is het teken daarvan?’

 

En? Krijgen ze een datum te horen?

Nee. Jezus gaat op het eerste gezicht zelfs helemaal niet op hun vraag in.

Wat zegt hij wel?

Laat je niet misleiden en laat je niet bang maken.

Nee, Jezus geeft geen antwoord op  een beredeneerde vraag,

maar gaat wel in op al die angsten en andere gevoelens

die het denken over de wederkomst,

blijkbaar met zich mee brengt.

 

Want de komst des Heren verwachten

–of juist niet verwachten-,

het doet iets met je.

Het bepaalt je stemming, het bepaalt ook je handelen.

Op een of andere manier toch

geloven in iets als de komst des Heren bepaalt de manier

waarop je NU  uit je ogen kijkt,

onder ogen durven zien wat je liever wegstopt

inzien waar we de mist ingaan, in plaats van wegkijken

geloven in de komst van de Heer

bepaalt hoe je over dingen denkt en wat je daarbij voelt.

Dat is wat Micha ons wil laten zien.

Dat is ook wat Jezus ons laat zien.

 

 

 

 

Kijk maar, zegt Jezus dan,

en zoals zo vaak illustreert hij het met een plaatje.

Verwachten van de komst van de Heer is eigenlijk net zoiets

als kijken naar de vijgeboom en al die andere bomen.

Zodra je ze ziet uitlopen, weet je dat de zomer nabij is.

Zo moet je ook, wanneer je al deze dingen ziet,

weten dat het Koninkrijk van God nabij is.

 

En wat leert ons dat dan?

Nou, volgens mij twee dingen.

Aan de ene kant een radicale breuk met wat tot dan toe was.

Zoals bij de boom volkomen kale en doodse takken

plaats moeten maken voor bladeren, voor bloemen, voor vruchten.

Zo zal de komst van de Koning het definitieve einde betekenen

van alle doodsheid en kaalslag.

Alles zal anders zijn,

maar wel beter dan ooit tevoren.

 

Maar het betekent aan de andere kant

niet het einde van alles wat je vertrouwd is.

De boom in de zomer is onherkenbaar vergeleken met die in de winter,

en toch, toch is het dezelfde boom.

Zo is de definitieve komst van het Koninkrijk van God

ook de voltooiing van wat er nu al groeit in deze wereld.

Soms heel klein, soms tegen de verdrukking in en praktisch onzichtbaar.

 

De komst des Heren: breuk en voltooiing, oordeel en verlossing.

Maar hoe dan, en wanneer dan? En hoe kan dat dan? Vertel dat nou eens!

Vergeet het maar. Dat krijgen we niet te horen.

Die komst blijft net zo ongrijpbaar als de groei en bloei van bomen.

Je staat erbij en kijkt er naar, maar echt doorgronden kun je het niet.

Het is zo vertrouwd en  toch onverwacht.

Je staat opeens blij verrast bij de uitgekomen knoppen te kijken,

terwijl je wist dat het eraan zat te komen, deze toekomst.

Om de toekomst van zijn mensen maakt Micha

zich ernstig zorgen.

Het volk is als een boom die geen vrucht meer gaat dragen

als een wijngaard met alleen een paar oude druiven,

komt dat ooit weer goed?

 

Ja, het komt goed.

Nu of later.

Want niet de angst

maar de hoop heeft zelfs bij

Micha het laatste woord.

Zijn laatste woorden wil ik je niet onthouden.

 

18Wie is een God als u,

die schuld ​vergeeft

en aan ​zonde​ voorbijgaat?

U blijft niet woedend

op wie er van uw volk nog over zijn;

liever toont u hun uw trouw.

19Opnieuw zult u zich over ons ontfermen

en al onze ​zonden​ tenietdoen.

Onze ​zonden​ werpt u in de diepten van de zee.

20U bewijst ​Jakob​ uw trouw

en ​Abraham​ uw ​goedheid,

zoals u gezworen hebt aan onze voorouders,

in de dagen van weleer.

 

 

 

 

Verwacht de komst des Heren

betekent volgens mij ten diepste dit:

niet de angst

maar de hoop het laatste woord geven.

 

 

 

 

 

Geloven in de wederkomst van Jezus,

en daarmee in de volkomen doorbraak van het Koninkrijk van God,

is als: 

in hartje winter geloven in de komst van de zomer.

Dat klinkt eigenlijk heel gewoon.

Spreekt voor ons zo vanzelf.

Natúurlijk geloven wij allemaal in de komst van de zomer

ook al is vandaag de winter begonnen.

 

Maar zo vanzelfsprekend is dat niet.

Zeker niet in de tijd van Jezus toen wetenschap nog niet ontwikkeld was.

Stel je voor dat wij niets wisten van de zomer

of nooit zeker wisten of deze weer ging komen.

Zouden we niet veel somberder de winter beleven?

Zouden we niet al te gemakkelijk

de kleine voortekenen van de zomer over het hoofd zien?

Hoe zou je ooit geloven dat de doodsheid en kaalheid een einde zouden krijgen?

 

Kijk daarom naar de vijgeboom en de andere bomen!

Zie wat je kunt zien, zie wat je wilt zien!

Geef je ogen de kost, zie het dode hout uitlopen

en weet dat de zomer nabij is.

 

Vandaag vieren wij op deze winterdag dat eens de grote zomer zal komen. Vandaag zingen wij van de komst des Heren

en volgend jaar opnieuw.

We zingen hetzelfde oude liedje van de kerk van alle eeuwen,

over verwachten van de komst van de Heer en Zijn Koninkrijk:

 

het brengt je in de juiste stemming

omdat je weigert op te geven dat

deze wereld een bestemming heeft.

 

 

AMEN